Bij de aanleg van een bloeiende siertuin of een moestuin met smakelijke gewassen is het van groot belang om eerst onderzoek te doen naar de grondsoort in jouw tuin. Is het kalkrijke kleigrond, arme zandgrond of vruchtbaar veen? De soort grond bepaalt voor een groot deel hoeveel zuurstof, vocht, bodemleven en organisch materiaal er in de bodem aanwezig is. Met deze kennis weet je hoe je jouw grond kunt bewerken om uiteindelijk een gezonde basis te vormen voor jouw planten.

Tekst Esther Derks

Nederlandse grondsoorten

Het Nederlandse landschap, zoals wij het nu kennen, is gevormd door het klimaat en de inmenging van de mens. Onder invloed van onder andere de ijstijd, de vorming van rivieren, de zee, de wind, het afgraven van veen, het droogleggen van land en het ontginnen van bos, kent Nederland een grote diversiteit aan grondsoorten. Langs de kust en de rivieren vind je veel klei en zand, in het noordoosten, westen en zuiden van ons land komt veengrond voor en in Zuid-Limburg tref je löss aan. Daarnaast bestaan er veel mengvormen. In nieuwbouwwijken wordt de bodem vaak beïnvloed door grondbewerking of aangevoerde grond. Om zeker te weten met welke grondsoort jij te maken hebt, kun je de grond in jouw tuin testen. Dit kun je zelf doen of via een laboratorium of tuincentrum.

Geoxideerd hoogveen in de Tuinen van Weldadigheid. Foto: De Tuinen van Weldadigheid

Tip

Check of jouw tuin mogelijk vervuild is op gezonduiteigengrond.be.

1. Klei en leem

Voor de aanleg van een (moes)tuin moet de grond de juiste hoeveelheid lucht, vocht en voeding bevatten. Lieven David is gespecialiseerd in moestuinen en adviseert mensen over hoe ze hun grond kunnen verbeteren en bewerken. “Klei en leem hebben een plakkerige en vaste structuur, waardoor er niet veel lucht in zit”, vertelt hij. “Deze grondsoorten houden mineralen en water goed vast. Wanneer het veel regent, wordt dit soort grond echter nat en modderig. Tijdens droogte ontstaan er scheuren en worden klei en leem keihard.” Kleigrond bevat vaak stukjes van schelpen en is daarom kalkrijker dan leemgrond. Bovendien bestaat klei uit nog kleinere deeltjes dan leem.

“Met compost breng je meer humus in kleigrond, waardoor hij minder plakt en niet snel uitdroogt”, legt Lieven uit. “Compost stimuleert ook het bodemleven in de grond. Wormen en pissebedden maken de grond luchtiger door het graven van tunneltjes.” Het toevoegen van lavagruis geeft kleigrond een mooie kruimelstructuur. En extra kalk maakt de grond minder zuur. “Meet wel eerst de pH-waarde met een pH-test, die je gewoon in de winkel koopt. Aan de hand van de zuurtegraad van de grond weet je namelijk hoeveel en wat voor soort kalk je moet gebruiken,” zegt Lieven. “Spit de grond niet om, maar maak hem los met een woelvork. Op deze manier wordt de grond niet omgedraaid en raakt het bodemleven niet verstoord.” Lieven adviseert ook om in een moestuin bedden van maximaal 120 cm breed te maken en enkel op de paden te lopen. “Als je niet op de bedden loopt, verbetert de structuur van je grond al enorm.” Op kleigrond doen vooral aardappelen, prei, knolselderij, ui, knoflook en kool het goed.

welke grondsoort
Bloeiende aardappel in geoxideerd hoogveen. Foto: De Tuinen van Weldadigheid.

2. Zandgrond

Zand heeft een lichtere kleur dan klei en bestaat uit losse, grotere deeltjes waartussen water gemakkelijk wegzakt. Deze grondsoort houdt veel lucht vast, maar weinig water en voedingstoffen voor planten. “Zandgrond is door de losse structuur gemakkelijk te bewerken”, weet Lieven. “Toch heeft dit soort grond extra voeding en vocht nodig voor het verbouwen van planten en gewassen. Omdat de grond na de winter snel opwarmt, kun je in februari al beginnen met tuinieren. De grond koelt echter ook snel af. Daarom moet je dus extra rekening houden met nachtvorst.” Door compost en bentoniet (kleipoeder) toe te voegen, houdt zandgrond meer mineralen en vocht vast. Je kunt bentoniet ook meteen vermengen met de compost in de compostbak. “Of voeg tien procent klei of leem toe aan je composthoop”, tipt Lieven. “Dan verwerken de compostwormen de klei- en leemdeeltjes tot het kleihumuscomplex, wat de zandgrond vruchtbaarder maakt.” Op zandgrond kun je goed wortelen, plantui en schorseneer verbouwen.

Zandgrond. Foto: Esther Derks.

3. Zwavelgrond en löss

Zavelgrond is ideaal voor tuinieren. Het is een mengsel van zand- en kleigrond en komt vooral voor in Zeeland langs de rivieren en in het noorden van Nederland. Deze grondsoort bevat in verhouding iets meer zand, waardoor hij goed lucht doorlaat en net als zandgrond gemakkelijk te bewerken is. De aanwezige klei houdt de voedingstoffen goed vast. In Zuid-Limburg en zeer plaatselijk in Gelderland vind je de zeer vruchtbare grondsoort löss. Deze grond bestaat uit zeer kleine korrels en is ook gemakkelijk te bewerken.

 

Laagveengrond. Foto: Natuurmonumenten/Robin van Houtum.

4. Veengrond

Laagveen is aan de grondwaterstand gebonden en wordt onder water gevormd uit water- en moerasplanten en afgestorven resten van planten en bomen. Boven water gaat laagveen oxideren, waardoor het vergaat. Het komt vooral voor in Zeeland, Utrecht, Friesland, Groningen, Overijssel en Noord- en Zuid-Holland. Grote delen laagveen liggen nu bedolven onder klei en/of zand. Hoogveen wordt ook onder water gevormd, maar boven de grondwaterspiegel. Het bestaat uit veenmos dat regenwater vasthoudt. Je vindt het vooral in het noorden, oosten en zuiden van ons land.

Vroeger bestond Nederland voor meer dan de helft uit veenmoerassen, waar veel soorten planten en vogels leefden. Vanaf de elfde eeuw werd er begonnen met het ontginnen van het veen. De turf die hierbij werd gewonnen, werd als brandstof gebruikt. Zo is veel veen verdwenen. Bovendien wordt in sommige gebieden de grondwaterspiegel kunstmatig laag gehouden voor de landbouw, waardoor veengebied droogvalt. Als gevolg daarvan vindt oxidatie van het veen plaats en is er sprake van bodemdaling. Natuurmonumenten en Staatsbosbeheer werken nu samen aan het herstel van veen in natuurgebieden.

“Veengrond bevat veel organisch materiaal en is daarom zeer voedingsrijk”, vertelt Mirjam Weisscher. Ze woont in Zuidoost-Drenthe en is gespecialiseerd in tuinieren op veengrond. “Het is goede grond om op te telen. Je kunt er alleen niet, zonder bewerking, zomaar alles op planten.” Door de grote compactheid vormt veengrond een moeilijk doordringbare bodem, waar zelfs een regenworm lastig doorheen komt. Om op deze grondsoort een moestuin of siertuin te beginnen, is het belangrijk om de grond luchtiger te maken. “Net als in kleigrond breng je met een woelvork lucht in de grond”, legt Mirjam uit.

“Typerend voor veenbodems is ook dat ze zuur zijn. Met schelpenkalk kun je de grond minder zuur maken. Meet daarvoor eerst de pH-waarde, dan weet je precies hoeveel kalk de grond nodig heeft. Een zure bodem is voor sommige planten juist heel aantrekkelijk, zoals de blauwe bes. In Drenthe zijn daarom veel blauwebessenkwekerijen”, verklaart Mirjam. Planten die een hoge pH-waarde nodig hebben, zullen op veengrond uiteindelijk niet overleven. Of je moet continu blijven kalken. Je kunt beter kiezen voor planten die het van nature goed doen op deze grondsoort. Net zoals je geen planten in de schaduw zet die juist veel zon nodig hebben.

Hoogveen. Foto: Natuurmonumenten/Andries de la Lande Cremer

Mulchen

“Door compost toe te voegen, krijgt het veen een mooie bodemstructuur. Pas wel op dat je veengrond niet overvoedt. Gebruik het liefst tuinafval uit eigen tuin, zodat er een kringloop ontstaat”, raadt Mirjam aan. Een omgevallen boom wordt voeding voor het bodemleven en een takkenril van gesnoeid hout biedt bescherming aan egels en nestgelegenheid aan vogels. “Wanneer de natuur in balans is, werkt ze prachtig samen. Veel bodemleven kun je niet zien met het blote oog. Zoals schimmels, bacteriën en aaltjes. Vooral de mycorrhiza-schimmel is heel belangrijk voor het uitwisselen van voeding tussen planten. Wanneer er in een bos een zwakke boom staat, zorgen de gezonde bomen via de mycorrhiza-schimmel ervoor dat er extra voeding naar die boom gaat”, weet Mirjam.

Voor alle grondsoorten wordt mulchen aanbevolen. Hierbij wordt de bodem bedekt met organisch materiaal, zoals hooi en bladeren. Het vocht in de bodem zal zo minder snel verdampen doordat zonnestralen niet direct op de bodem schijnen en onkruid krijgt minder kans om te ontkiemen. Je hoeft bovendien minder water te geven en het bodemleven blijft productief en actief onder de beschermende mulchlaag.

Kleigrond. Foto: Esther Derks.

Welke sierplanten passen in welke grondsoort?

Kleigrond:

Zandgrond:

Zavelgrond:

Veengrond:

  • Japanse esdoorn (Acer palmatum)
  • Rotsheide (Pieris japonica)
  • Rhododendron (Azalea mollis)
  • Schijnhazelaar (Corylopsis pauciflora)
  • Koningsvaren (Osmunda regalis)
Stoofperenboomgaard in laagveen. Foto: Esther Derks.

Kneed- en bezinkingsproef

Neem wat grond in je hand en maak hem vochtig. De vorm die je er vervolgens van kunt maken, geeft aan welk bodemtype het is. Plakt de vochtige grond niet aan elkaar, dan is er sprake van een zandbodem. Kun je van de grond een worstje draaien, maar breekt het snel?  Dan heb je zand vermengd met klei in je handen. Als je van het worstje een hoefijzer kunt maken zonder dat het breekt, dan is er sprake van klei.

Bezinkingsproef:

Verzamel op 20 cm diepte wat grond uit de tuin. Doe dit op ongeveer vier verschillende plaatsen en hussel de grond door elkaar. Verwijder steentjes en grote stukken. Vul een glazen pot voor een kwart met aarde en vul de pot (niet helemaal tot de rand) met leidingwater. Doe het deksel op de pot, schud door elkaar en laat een paar uur staan. Bekijk de neergedaalde laagjes goed.

  • Zie je onder in de pot een laag met grove delen en daarboven veel slibdeeltjes, dan heb je te maken met klei- of leemgrond.
  • Zijn er onderin veel grove delen (grove zandkorrels) te zien met daarboven slechts een dun laagje fijne deeltjes (fijnere zanddeeltjes) dan gaat het om zandgrond.
  • Als het water allemaal zwarte delen bevat, heb je veengrond.

Meer inspiratie

Deel deze pagina

5/5 - (3)